Posts tonen met het label passend onderwijs. Alle posts tonen
Posts tonen met het label passend onderwijs. Alle posts tonen

zaterdag 4 oktober 2014

Flow - van wetenschap naar onderwijs (deel 3 van 4)

Flow in de hersenen

In dit derde deel gaan we dieper in op de processen die zich in de hersenen en in ons lichaam afspelen, wanneer we ‘flow’ meemaken. Dankzij de voortsnellende technologische vooruitgang  op het gebied van hersenonderzoek wordt steeds meer informatie over de processen die zich, tijdens de flow ervaring, in de hersenen afspelen, bekend. Dankzij de Electroencephalography (EEG), kunnen elektrische signalen in de hersenen gemeten worden. Wanneer iemand een stimuli of een gedachte heeft, geven de hersenen een signaal af. De EEG meet deze signalen tot op 1/1000 van een seconde.

Er worden vijf soorten hersengolven onderscheiden, waarbij het verschil in de frequentie ligt. Tussen de 1 Hz en de 3,9 Hz, vinden we de traagste hersengolf, de Delta golf. Deze treedt op wanneer iemand in een diepe, droomloze slaap verkeerd. Tussen de 4 Hz en de 7,9 Hz bevindt zich de Theta-golf. Deze golf wordt geassocieerd met de REM-slaap, meditatie, inzicht en de verwerking van nieuw binnenkomende stimuli. De derde hersengolf is de Alpha-golf, welke zich tussen de 8 Hz en 13,9 Hz bevindt. De Alpha golf is de  ruststand van de hersenen. Mensen die in Alpha zitten, voelen zich kalm, relaxed, en hoeven weinig na te denken. Boven de Alpha-golf bevindt zich de Beta-golf, tussen de 14 Hz en de 30 Hz. Op het Beta-spectrum staan leren en concentratie aan het onderste eind, en stress en angst aan het bovenste eind. Boven de 30 Hz is een snel bewegende golf, genaamd Gamma, die optreedt wanneer verschillende delen van de hersenen aparte gedachten tot een nieuw idee combineren.

Al veertig jaar geleden bleek dat wanneer iemand helemaal in zijn werk opgaat, de activiteit in diens prefrontale cortex drastisch verminderd. In de prefrontale cortex worden processen zoals redeneren, plannen en strategie bepalen geregeld.  Processen die de hogere cognitieve functies worden genoemd (Kotler, 2014). Ook creativiteit laat zich duidelijk zien op de EEG. Creativiteit gaat gepaard met Alpha/Theta golven, die  uit de rechter hemisfeer van de hersenen pulseren.

De menselijke hersenen herbergen twee systemen voor het verwerken van informatie. Allereerst is het  expliciete systeem. Deze is op regels gebaseerd, kan verbaal worden uitgedrukt en is verbonden aan het bewustzijn. Wanneer de prefrontale cortex aan het werk is, staat dit systeem aan. Maar wanneer een activiteit meer intuïtie vereist, gaat het impliciete systeem aan het werk. De hersenen produceren dan lage Alpha/hoge Theta-golven. Dit systeem is gebaseerd op vaardigheden en ervaring. Je kan het niet bewust raadplegen en de informatie die het geeft laat zich niet in woorden uitdrukken. Deze twee systemen worden meestal beschreven als het ‘bewustzijn’ en het ‘onderbewustzijn.’

Wanneer iemand een beslissing maakt, spelen in de  hersenen zes verschillende fasen af. Voordat de stimuli zich aandienen zijn de hersenen in een neutrale staat. Daarna gaan we van  probleem oplossende analyse, alertheid voor de uitvoering, de uitvoering zelf, evaluatie na het uitvoeren en terug naar de neutrale staat. Voor elk van deze fases worden andere delen van de hersenen gebruikt, en elk veroorzaakt verschillende soorten hersengolven. Experts in een vakgebied, zijn in staat deze cycli vloeiend te doorlopen, zonder hierbij zich te laten afleiden door kritische gedachten.

Wanneer iemand in ‘flow’ verkeerd, is deze net als de experts in staat deze cycli vloeiend te doorlopen, en heeft zelfs nog meer controle over het proces. Zo kunnen ze lange tijd de Alpha/hoge Theta golf stimuleren, waardoor het impliciete systeem zijn werk kan doen.

Behalve de lage Alpha/hoge Theta-golf, nemen ook de Gamma-golven toe. Deze ultrasnelle hersengolven ontstaan wanneer nieuwe stimuli, willekeurige gedachten en obscure herinneringen zich tot een nieuwe ervaring verbinden.  Deze gamma-golven kunnen alleen tot grote uitbarsting komen, wanneer de hersenen in de Alpha/Theta staat zijn.
Door deze kennis over hersengolven wordt goed zichtbaar wat je hersenen doen, wanneer ze in flow zijn. Niet alleen wordt iemand besluitvaardiger, maar ook aanzienlijk creatiever . Wanneer we ons in een flow bevinden zijn we vindingrijk, fantasierijk en ingenieus. Creativiteit speelt dan ook een essentiële rol in het flow-proces.
Wanneer iemand in Flow komt, schakelt het expliciete systeem uit, en neemt het impliciete systeem diens taken over. De activiteit in delen van de  prefrontale cortex neemt af, een fenomeen dat “transient Hypofrontality” genoemd wordt. In feite wordt de energie die normaal voor de hogere cognitieve functies worden gebruikt, verruild voor een verhoogde concentratie en bewustzijn.

Dit uitschakelen van delen van de prefrontale cortex heeft ook het fenomeen ‘vertraging van de tijdsbeleving’  tot gevolg, De tijdbeleving, wordt door verschillende delen van de hersenen berekend, en tot een soort democratische gekozen conclusie gevormd in de neocortex. Doordat door de hypofrontaliteit delen van de prefrontale cortex uitschakelt, ontstaat  een vertekend tijdsbeeld.  De functie hiervan is om de energie die gebruikt wordt om de tijdsbeleving te berekenen, voor de flow wordt ingezet. Het ‘nu’ wordt hierdoor verlengd, hoe langer een moment duurt des te beter de kwantiteit en kwaliteit van de informatie die we in dat moment krijgen. Hierdoor kunnen we in flow meer creatieve beslissingen nemen, simpelweg omdat we meer data tot onze beschikking hebben.
Ook het deel van de prefrontale cortex dat de exacte locatie van het lichaam in de gaten houdt, schakelt uit. Om de positie van het lichaam in een ruimte in de gaten te houden, monitort dit deel van de hersenen precies waar het lichaam ophoudt, en waar de rest van de wereld begint. Wanneer dit deel van de hersenen niet meer actief is, krijgt men het gevoel te één te worden met de activiteit. Is dat het beklimmen van een berg, dan overvalt ons het gevoel een te worden met de berg, is het een groepsactiviteit, dan lijkt een gedeeld bewustzijn te ontstaan.

Andere delen van de prefrontale cortex worden juist in verhoogde staat van paraatheid gebracht. Het deel dat het creatieve zelfexpressie regelt, de mediale prefrontale cortex, wordt juist in flow geactiveerd.  Tijdens de flowervaring gaan de hersenen efficiënter werken, door delen van de prefrontale cortex uit te schakelen, gaat de stimuli direct naar het onderbewustzijn.

De neurotransmitters van Flow

Neurotransmitters zijn informatie moleculen die door de hersenen worden gebruikt om boodschappen te versturen. De signalen die ze versturen, vormen onze reactie op gebeurtenissen buiten ons lichaam.
Tijdens de flowervaring worden verschillende neurotransmitters aangemaakt in het lichaam. Allereerst is er dopamine. Wanneer dopamine wordt aangemaakt in ons lichaam voelen we ons opgewonden, creatief, nieuwsgierig en betrokken bij hetgeen we aan het doen zijn. Deze neurotransmitter wordt aangemaakt zodra we iets nieuws tegenkomen. Door de hartslag en de bloeddruk te verhogen, de concentratie te focussen en het deel van de hersenen te activeren welke patronen herkend, zorgt dopamine ervoor dat onze vaardigheden in een dergelijke situatie vergroten.

Behalve dopamine zorgt ook norepinephrine ervoor dat je lichaam in een staat van paraatheid komt. Door deze neurotransmitter gaat ook de hartslag omhoog, neemt de spierspanning toe en wordt glucose in het lichaam vrijgegeven, waardoor er meer energie is. Wanneer men in flow is, zorgt deze transmitter ervoor dat je op je doel gericht blijft, en je emoties onder controle houdt.

De derde neurotransmitter die een belangrijke rol speelt is endorfine. Endorfine werken pijnstillend, en geven een gevoel van plezier en genot. Deze neurtotransmitter is  ongeveer honderd keer krachtiger dan morfine, welke in ziekenhuizen als zware pijnstiller wordt gebruikt.

Anandamide is een neurotransmitter, die vernoemd is naar het Sanskriet woord voor ‘gelukzaligheid’. Anandamide wordt geproduceerd bij lichamelijke activiteit en verhoogd de stemming, werk pijnstillend, verwijdt de aderen en longen en vergroot het vermogen om lateraal te denken. Daarnaast remt het ons vermogen om angst te voelen en mogelijk maakt ze herinneringen aan lang gekoesterde angsten ongedaan.

Als laatste wordt in het lichaam serotonine aangemaakt, een neurotransmitter die helpt om met tegenspoed om te gaan. Deze is nodig om je niet uit het veld te laten slaan bij tegenslag, maar meteen door te gaan met de activiteit waarmee men bezig is.

Tot zover de wetenschap achter flow. In het volgende deel gaan we dieper in op de elementen die we in het onderwijs kunnen stimuleren, om leerlingen de kans te geven de ‘flow-staat’ te ervaren.


~N.M.~

zondag 7 september 2014

Talentontwikkeling in het kader van Passend Onderwijs

De nadruk in het hedendaagse onderwijs ligt de laatste jaren steeds meer op de cognitieve vaardigheden. Leerlingen die talent hebben voor en excelleren op het gebied van verbaal-linguïstische intelligentie en logisch-mathematische intelligentie worden uitgedaagd met een aangepast aanbod in materialen. Daarnaast worden aparte klassen en zelfs scholen opgericht. Voorbeelden hiervan zijn plusklassen en Leonardoscholen. Leerlingen die talent hebben op andere gebieden zoals visueel-ruimtelijke intelligentie, muzikaal-ritmisch intelligentie, lichamelijk-kinesthetisch intelligentie, inter- en intrapersoonlijke intelligentie vinden minder ruimte binnen de school. Waar de ontwikkeling van de verbaal-linguïstische intelligentie en logisch-mathematische intelligentie makkelijker getoetst, gevolgd en gemeten kan worden is dat voor de andere intelligentiegebieden beduidend moeilijker.

Vanuit het feit dat met ingang van 2014 Passend Onderwijs ingevoerd moet worden binnen het primair onderwijs is het interessant om te kijken wat er in de literatuur over talent en talentontwikkeling gezegd wordt en welke rol talent en talentontwikkeling binnen Passend Onderwijs kunnen gaan spelen. Staatssecretaris Dijksma stelde in 2007 al dat voor elk kind de kansen op de beste ontwikkeling centraal staan. Dus niet kijken naar de problemen, maar naar de mogelijkheden. Het gaat niet om wat een kind niet kan, maar wat een kind wel kan. Daar heeft elk kind het volste recht op en als maatschappij hebben we de plicht dat onze kinderen te bieden (Dijksma, 2007).

Mol (2012) stelt dat Passend Onderwijs, ideologisch gezien, draait om ‘optimale ontwikkelingskansen voor alle kinderen’ uitgaande van behoeften en talenten in plaats van defecten en achterstanden. Mol (2012) stelt tevens dat om te komen tot zo’n perspectief er een verandering dient te komen in het onderwijskundig model. Waar in het onderwijs nog teveel wordt uitgegaan van het medisch model wat uitgaat van defecten en tekorten, moeten we de omslag gaan maken naar een talentmodel wat uitgaat van sterkte, kracht en talent.

In de literatuur komen veel definities voor met betrekking tot talent waarbij het in de meeste gevallen gaat om talent in de zin van high achievers, de hoogbegaafden. Gagné (2010) stelt dat individuen worden geboren met een natuurlijke aanleg. Deze natuurlijke aanleg kan zich ontwikkelen onder invloed van katalysatoren zoals intrapersoonlijke factoren en omgevingsfactoren. Ontwikkel je je tot de top tien procent binnen een bepaald domein, dan spreken we over talenten.

Daarnaast wordt in de literatuur gesproken over een ander perspectief op talent. Een perspectief dat zijn voedingsbodem vindt in de positieve psychologie. Deze positieve psychologie is een tegenbeweging die ageert tegen het feit dat de psychologie zich na de Tweede Wereldoorlog steeds meer richtte op aspecten van het menselijke bestaan als angsten, depressie en andere psychische stoornissen. De maatschappij, en dus ook het onderwijs, richtten zich ook steeds meer op de dingen die niet goed gingen, de ‘tekorten’ van leerlingen in plaats van hun talent en kracht. De positieve psychologie wil daar een kentering in brengen. Het wil zich richten op onder andere het individuele niveau, waar het gaat over positieve individuele kenmerken: het vermogen tot liefde en roeping, moed, interpersoonlijke vaardigheden, esthetische sensibiliteit, volharding, vergeving, originaliteit, toekomstgerichte mindset, spiritualiteit, talent, flow en wijsheid (Seligman en Csikszentmihalyi, 2000). De positieve psychologie stelt dat elk individu talenten heeft. Ook Dewulf (2009) stelt dat ieder persoon, wat zijn aard, opvoeding, voorgeschiedenis, achtergrond, lichamelijke of geestelijke beperkingen ook zijn, talent heeft.

Binnen de literatuur bestaan verschillende definities met betrekking tot het begrip ‘talent’. Het grootste verschil van mening lijkt te bestaan in de opvatting of talent aangeboren is of aangeleerd. Binnen de literatuur vindt het nature en nurture debat plaats. Aanhangers van de ‘nature-visie’ beweren dat talent aangeboren is (Echols, 2007). Er wordt gesteld dat talent -in tegenstelling tot vaardigheden, kennis en ervaring- niet te leren is. Volgens de Gallup Organisatie (Clifton & Harter, 2003) en aanhangers van de positieve psychologie (Seligman & Csikszentmihalyi, 2000) vertegenwoordigt talent de sterke punten van een mens die het gevolg zijn van verbindingen die vroeg in het leven in de hersenen worden gevormd, ruim voor de tienerjaren.

 Volgens de Gallup Organisatie, kunnen die verbindingen en de sterke punten (talenten) niet later in het leven worden geleerd. Uitgaande van deze definitie, is leren niet van invloed op talent. Leren beïnvloedt vaardigheden, kennis en ervaring, en het cumulatieve effect van alle vier vormt het menselijk kapitaal (Echols, 2007). Aanhangers van de ‘nurture-visie’ (Barab & Plucker, 2002) beweren daarentegen dat talent alleen ontwikkeld wordt door omgeving, oefening, ontwikkeling en educatie en bediscussiëren dat aangeboren begaafdheden een rol spelen bij talent (Howe, 1998). Ook wordt gesteld dat veel excellente prestaties het gevolg zijn van vele jaren van training en dat ze, op een aantal uitzonderingen (zoals lengte) na, niet het gevolg zijn van aangeboren talent (Rikers, 2009) (Ericsson en Krampe, 1993). In reactie hierop wordt gezegd dat, ofschoon genialiteit misschien niet wetenschappelijk kan worden bewezen, dat evenmin geldt voor de stelling dat elke individu in goede gezondheid een Mozart kan worden (Freeman, 2007).

Voortvloeiend uit de nature-opvatting kan er geen verschil bestaan in de vraag of iedereen talenten bezit of niet. Iedereen wordt geboren met talent. Uitgaande van de nurture-opvatting dat we, door onze natuurlijke mogelijkheden of aanleg te ontwikkelen tot talent kunnen uitgroeien, is het niet uitgesloten dat er leerlingen zijn die geen talent hebben. Vanuit de werkgroep ‘leren excelleren’ (2006) komt een andere definitie: Talent is een bijzondere eigenschap van een persoon die in de kern is aangeboren, maar die door oefening in een leerproces ontwikkeld kan worden en door relevante ervaringen kan worden verrijkt: nature én nurture. Dit leerproces vindt overal en op allerlei manieren plaats, zowel in het onderwijs als daarbuiten. Ook Simonton (2007) ondersteunt de nature en nurture-visie op talent door te stellen dat talent de grootte van prestaties voor personen met dezelfde verworven deskundigheid beïnvloedt. De aangeboren eigenschappen maken het verschil.

Het onderwijs heeft als doel de schat die verborgen is in elke persoon te ontdekken en te ontsluiten (Dhert & Smits, 2011). Als talenten en krachten van leerlingen centraal gaan staan in een talentmodel zullen we moeten vaststellen over welke concrete talenten en/of talentgebieden we het hebben. De definitie die wij in dit onderzoek hanteren, is dat talent een bijzondere eigenschap is die in de kern is aangeboren, maar die door oefening in een leerproces ontwikkeld kan worden. Zoals eerder gememoreerd gaan we uit van de stelling dat ieder kind talenten heeft (Dewulf, 2009) ((Seligman en Csikszentmihalyi, 2000) en dat we bij talent in het kader van dit blog niet spreken over de ‘top 10 procent presteerders’ binnen bepaalde domeinen zoals beschreven in het DMGT 2.0-model van Gagné (2010). Maar welke concrete talenten en/of talentgebieden kunnen dan centraal staan in het te ontwikkelen ‘talentmodel’ en hoe bepaal je of het hier een talent betreft?

Talent zegt in de eerste plaats iets over het potentieel van leerlingen (Dewulf, 2009). Alle leerlingen hebben talent(en) alleen zijn deze niet voor alle leerlingen duidelijk. Talent wordt zichtbaar in activiteiten die schijnbaar moeiteloos gaan en energie opleveren. Talent is daarnaast relationeel. Omdat de persoon zelf schijnbaar moeiteloos deze activiteit volbrengt, lijkt het voor diegene niks speciaals te zijn. Een leerkracht, ouder of opvoeder heeft dan ook de belangrijke taak om leerlingen op het talent te attenderen, wanneer ze bij hen een talent zien (Dewulf en Beschuyt, 2013). Bezig zijn met wat je niet goed kan, leidt tot energieverlies. Bezig zijn met je talent leidt tot het aanvullen van je energievoorraad (Dewulf, 2009) en zelfs het bereiken van een staat van flow. Flow ontstaat tijdens een activiteit waarin de uitdaging hoog is en de gevraagde vaardigheden bovengemiddeld zijn.

Uit literatuuronderzoek blijkt dat in het kader van passend onderwijs het noodzakelijk is om je als leerkracht meer te richten op de kracht en talenten van leerlingen dan op de ‘tekorten’ (Mol, 2012).
Het op school bezig zijn met wat je niet goed kan, kost veel energie. Het bezig zijn met je kracht en talent levert energie op (Dewulf, 2009). Voor ‘zorgleerlingen’ zou het zelfs kunnen betekenen dat ze op school alleen maar bezig zijn met wat ze niet goed kunnen. Dit houden leerlingen wel even vol, maar zal ze uiteindelijk opbreken, op het moment dat de energie er niet meer is. Dit onderstreept het belang van het richten op talenten van leerlingen. In het kader van passend onderwijs en talentontwikkeling zal dan ook uitgegaan moeten worden van de talenten in de breedste zin van het woord.

Het alleen maar uitgaan van de talenten en kracht van leerlingen lijkt op dit moment nog een brug te ver in het onderwijs. We hebben te maken met een maatschappij en een onderwijssysteem waarin er altijd iemand zal zijn die een norm stelt, waaraan je ‘hoort’ te voldoen. In het kader van passend onderwijs is het wel van belang dat leerlingen naast het aanpakken van de ‘tekorten’ ook ruimte krijgen om hun talenten en kracht te ontwikkelen. Dit is belangrijk om de energievoorraad weer aan te vullen. Daarnaast is het van belang dat leerkrachten hun ‘blik’ verruimen. Niet alleen maar richten op het  ‘tekort’ van de leerling, maar ook op het talent.

~A.v.W.~